De recente bijdrage van Jeremy Clarkson (bekend van o.a. tv-programma's Clarkson's Farm en Top Gear) aan een Britse parlementscommissie zette een ogenschijnlijk eenvoudige vraag weer op scherp: wat gaan we eigenlijk eten als we boeren betalen om te stoppen? Die vraag is niet alleen een Britse kwestie. Het is een Europese vraag. En ook een Nederlandse.
We leven in een tijd van geopolitieke onzekerheid. Handel is niet vanzelfsprekend. De coronaperiode liet zien hoe kwetsbaar internationale ketens kunnen zijn. Denk aan de mondkapjes. Een eerste levensbehoefte blijkt ineens schaars wanneer ieder land vooral voor zichzelf kiest. Voedsel is óók een eerste levensbehoefte. Toch behandelen we voedselzekerheid vaak alsof het zichzelf wel regelt.
Nederland staat voor een strategische keuze
Nederland behoort tot de meest efficiënte en innovatieve landbouwlanden ter wereld. We produceren veel, met relatief lage emissies per kilo product. We beschikken over kennis, technologie en ondernemerschap die wereldwijd worden gewaardeerd. Dat is geen toeval, maar het resultaat van decennialange investeringen in vakmanschap, onderzoek en praktijkinnovatie.
Tegelijkertijd zien we dat steeds meer boeren stoppen. Door leeftijd, door gebrek aan opvolging, door onzekerheid over regelgeving en toekomstperspectief. Die ontwikkeling is al jaren gaande. Extra stoppersregelingen zijn daarvoor niet nodig.
De vraag is dus niet of de landbouw moet veranderen. Die verandering is al volop bezig. De echte vraag is welke richting we kiezen. Investeren we in afbouw, of in versterking van de bedrijven die willen doorontwikkelen?
In een wereld waarin geopolitiek steeds bepalender wordt, is het vermogen om zelf voedsel te produceren een vorm van strategische weerbaarheid. Voedselzekerheid hoort in dezelfde categorie als energie en defensie. Het is geen bijzaak, maar een fundament.
Investeer in de blijvers
De sleutel ligt bij de ondernemers die vooruit willen. Boeren die willen investeren in hun bodem, in precisielandbouw, in emissiereductie en in efficiënter gebruik van water en nutriënten. Publieke middelen kunnen daarbij het verschil maken, mits ze gericht worden ingezet op versterking van toekomstbestendige bedrijven.
Uitkoop kan soms nodig zijn, maar alleen wanneer het ruimte creëert voor ondernemers die willen blijven en verduurzamen. Het geld dat vrijkomt, moet vervolgens terechtkomen bij de blijvers die stappen zetten.
De kennis is er. De ervaring is er. De praktijkvoorbeelden zijn er. Wat nodig is, is consistent beleid dat inzet op innovatie, samenwerking en schaalbare oplossingen.
Vanuit die overtuiging is ook de VDBorne Campus ontstaan. Een plek waar praktijk, data en innovatie samenkomen. Waar boeren, onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven samenwerken aan concrete oplossingen. Waar we laten zien dat productiviteit en duurzaamheid elkaar niet uitsluiten, maar juist kunnen versterken.
Onze uitnodiging
Wij nodigen de minister van Landbouw uit om op de VDBorne Campus te komen kijken hoe het in de praktijk werkt. Wij werken dagelijks aan oplossingen rondom biodiversiteit, mest, water en gewasbescherming. Niet op papier, maar op het veld. Met data, met technologie en met ondernemers die verantwoordelijkheid nemen voor hun omgeving én voor voedselproductie.
Kom het gesprek voeren met de boeren die willen bouwen aan de toekomst.
Kom zien hoe voedselzekerheid en verduurzaming hand in hand kunnen gaan.
De toekomst van de Nederlandse landbouw bouwen we samen.
Farming the Future. Together.
Verder lezen?
De aanleiding voor dit artikel is het scherpe stuk van Wouter de Heij op Food4Innovations, waarin de bijdrage van Jeremy Clarkson aan het Britse landbouwdebat wordt geanalyseerd.
